materialen

Textiel wordt opgebouwd uit het kleinste bestanddeel, de vezel. Deze vezels worden gesponnen tot garens. Deze kunnen vervolgens worden gebruikt om een doek te weven of breien. De garens kunnen worden gesponnen uit verschillende materialen. Deze materialen zijn te verdelen in drie hoofdgroepen. Dat zijn de volgende:

Plantaardige

Plantaardige vezels worden gewonnen uit planten. Veelal is cellulose het hoofdbestanddeel van de vezels. Cellulose vezels hebben van nature een matige opname van kleurstoffen. Daardoor zullen prints op deze stoffen sneller vervagen dan bij andere materialen. Stoffen uit cellulose moeten voor het printen worden voorbehandeld en na het bedrukken worden gewassen en gefixeerd.  De prints op deze materialen zijn verminderd wasecht. Voorbeelden van plantaardige materialen zijn katoen, linnen, ramie en brandnetel. Cellulose vezels nemen veel vocht op en zijn sterk. Bovendien zijn ze prettig op de huid te dragen.

Dierlijke

Dierlijke vezels worden gewonnen uit de haren van dieren. De bekendste soort is schapenwol. Dierlijke vezels hebben een geschubde structuur, waardoor ze isolerend werken. Ook zijn ze waterafstotend. De vezels zijn goed aan te verven en te bedrukken. De fixatie van de kleurstof is echter arbeidsintensief. Ook dienen de stoffen voor het bedrukken te worden voorbehandeld. Voorbeelden van Dierlijke vezels zijn wol, alpaca, angora en zijde.

Synthetische

Synthetische vezels worden veelal gewonnen uit aardolie. Sommige vezels laten zich goed aanverven, andere minder goed. Synthetische vezels hebben in mindere of meerder mate een glanzend uiterlijk. Daarnaast nemen ze vaak weinig vocht op. Ze zijn sterk en bezitten vaak goede lichtechte, wrijfechte en wasechte eigenschappen. Voorbeelden van synthetische vezels zijn Polyester, Polyamide, Polyacryl en Viscose (half-synthetisch).